Pril geluk

Elf was ik. Misschien twaalf. Mijn vriendje Jos, een jaar ouder, kwam mij vaak na het eten halen. Dan zaten we dicht naast elkaar in het trappenhuis en luisterden naar zijn transistor radiootje.

Mijn vader vond dat niks. Met zijn tweeën. Op die trap. Met de buitendeur dicht. Dus af en toe trok hij aan het touw (wij woonden op twee hoog) waardoor de deur openging.
“Oh,” riep hij dan quasi onschuldig naar beneden, “ik dacht dat er gebeld werd”. Dat gebeurde om de tien minuten, tot hij om half acht naar beneden riep; “Joke, je pyjama ligt klaar, je moet naar bed!”
Mijn vriendje droop af en ik ging boos naar boven omdat ik het gemeen vond dat mijn vader mij zo te kijk zette. Ik hoefde immers nog niet naar bed. Maar mijn vader wist van geen ophouden; “wie weet wat je daar allemaal uitspookt,” zei hij nors, “wat moet je met die jongen?” Ik had geen idee wat ik met hem moest, maar merkte wel dat het anders was dan ‘gewoon’. Dus ontkende ik bij hoog en bij laag dat er iets was.

Als ik niet naar buiten mocht, fietste Jos de hele avond heen en weer in de straat. Hij keek dan naar boven of ik voor het raam stond. Mijn vader lachte hem er om uit en mijn zus en mijn moeder lachten mee. Ik vond dat gefiets ook wel grappig, maar stiekem was ik er trots op dat hij dat voor mij deed.

Op een van die transistoravondjes gaf Jos mij ineens een zoen. Ik voelde het in mijn buik kriebelen. Verlegen namen we die avond afscheid.

Niet veel later verhuisde ons gezin naar een andere wijk in dezelfde stad. Mijn vriendje heb ik nooit meer gezien.

(een verhaaltje uit de ouwe doos)

18 gedachten over “Pril geluk

    1. ach ja, mijn vader was zelf nog erg jong, en ik was de oudste, dus hij vond het allemaal een beetje griezelig weet ik nu achteraf.

Reacties zijn gesloten.

Powered by WordPress.com. door Anders Noren.

Omhoog ↑

%d bloggers liken dit: