Bouwen met taal

Jokezelf over gisteren, vandaag en morgen

Schrijfcursus – eerste deeltje

In vervolg op mijn blog van gisteren – zoals beloofd – het eerste deeltje van mijn verhaal over de man in de trein. Trouwe lezers zullen het waarschijnlijk wel herkennen. Enfin, daar ben ik nu verder mee aan het stoeien.

De man in de trein

De trein van Hoorn naar Schiphol staat midden in een weiland plotseling stil. De luidsprekers laten, behalve wat geknars, geen informatie los. De passagiers in de hal speculeren druk over de oorzaak. Een conducteur loopt naar de deuren en trekt aan de noodhendel, maar er gebeurt niets. Dan loopt hij door naar de volgende deur waar hij dezelfde handeling uitvoert. Ook dat lukt niet. En ook de derde en de vierde deur blijven potdicht.

Een groeiend gevoel van onbehagen maakt zich van Gerard meester. Langzaam verandert hij van de grote man die hij is, in een klein, angstig jongetje. Dat gaat fout! Hij kan er niet uit! De deuren kunnen niet open! Er staat een sein verkeerd, of een machinist let even niet op en rijdt zijn trein het andere baanvak op. Klabam!! Twee treinen op elkaar! De inzittenden van de beide eerste wagons hebben het ongeluk niet overleefd, staat er naderhand in de kranten. Honderden mensen zijn gewond geraakt in de overvolle treinen van het spitsuur. Het overige treinverkeer ondervond langdurige vertraging. Televisiebeelden van de ravage. Rokende brokstukken, kermende mensen langs de spoorlijn. Bloed, sirenes, ziekenbroeders rennen af en aan. Brandweerlieden zagen zich een weg door de puinhopen en proberen bekneld geraakte overlevenden te bevrijden. Sommige mensen bezwijken onder hun handen. Een agent ontfermt zich over een huilend kind dat zijn moeder is kwijtgeraakt. Gerard is bekneld geraakt tussen twee banken. Hij ziet niet veel, maar registreert zijn omgeving met pijnlijke nauwkeurigheid. Bij het raam steekt een hand uit boven het verwrongen staal van de geplette bank; een medereiziger die bij het eerste lawaai vertwijfeld had gegild en gevangen werd in een angstgebaar. Er duwt iets tegen zijn rug. Dat moet de schooltas van het meisje zijn dat zojuist nog naast hem zat. Het kind zelf ziet hij niet, moet onder hem liggen, maar hij voelt haar niet. Hij hoort ook niets, behalve een aanhoudend gezoem in zijn hoofd. Een vervelend soort gebrom waardoor hij niet meer kan nadenken. Er parelen zweetdruppels op zijn voorhoofd en bovenlip. Zijn handen voelen als verdoofd. Alles om hem heen begint te draaien.

13 reacties op “Schrijfcursus – eerste deeltje

  1. Pingback: Waar woont u, mevrouw? | Bouwen met taal

Reacties zijn gesloten.

Informatie

Dit bericht was geplaatst op 18 maart 2015 door in Korte verhalen, Poëzie en proza en getagd als , , .

Categorieën

Archief

Belangstellenden

%d bloggers liken dit: