De C – Klasse (zwijmelen op zaterdag)

Wat mij nou toch gebeurde! Ik zat in de auto, zette de radio aan en viel midden in een liedje van Pierre Kartner,  in de jaren zeventig en tachtig vooral bekend als Vader Abraham. Hij was de man van o.a. het Smurfenlied (‘kunnen jullie door een waterkraan?’), van het Kleine Café aan de Haven, van Zou het erg zijn lieve opa (met Wilma). en van Uche, uche, uche (met zijn Goede zonen) en nog veel meer.

Enfin ik val dus in dat liedje en al na de eerste strofe, knalden de tranen uit mijn kop (met dank aan Guus Kuijer – 1980). Ik kon verdorie niet meer stoppen en moest de radio uitzetten om een beetje tot mezelf te komen. Sta ik daar, de tranen biggelend over mijn wangen, te wachten tot het stoplicht op groen springt. Nou ben ik een enorm emotioneel mens. Ik kan om de duvel en zijn ouwe moer huilen. Laat me filmpjes zien van de bosbranden in Australië, vluchtelingen uit Syrië, zielige kinderen en geslagen hondjes en ik houd het niet droog. Ik lees berichten in de krant over de afbraak van de zorg en doorweekte kranten belanden in de papierbak. Ik luister naar Leonard Cohen, Herman van Veen, John Denver, I Muvrini, Placido Domingo en de vier Jaargetijden van Vivaldi en ik kom zakdoeken tekort.

Maar Vader Abraham? Het moet toch niet gekker worden!

 

Als je oud bent moet je in een heel groot huis
Want je kinderen die willen je niet thuis
Je bent arm, daarom zit je in klasse C
In de voorkant in klas A daar tel je mee
*
Je krijgt een kanariepiet en ’s zondags een sigaar
En de kapper knipt in 1 minuut je haar
Je kijkt naar buiten en je ziet niet eens de zon
Want er staat een grote flat van grijs beton
*
In de C-klasse mag je dan klaverjassen
Je eigen piepers jassen
Maar de zon kun je niet zien
In de C-klasse mag je nooit kleren passen
Niet eens je eigen wassen
Je zult wel zien
*
1 Keer in de week dan lees je een mooi boek
Met grote letters want je leesbril is weer zoek
En dan zit je eenzaam met je stil verdriet
Hardop te denken aan wat jij eens achterliet
*
’s Zondags komen de kleine kinderen op schoot
En ze vragen “opa, jij gaat toch niet dood”
Ik verberg dan mijn gezicht in krullend haar
Van m’n kleinkind en ik denk “nog een paar jaar”
*
In de C-klasse mag je dan klaverjassen
Je eigen piepers jassen
Maar de zon kun je niet zien
In de C-klasse mag je nooit kleren passen
Niet eens je eigen wassen
Je zult wel zien
*
Als ik ’s nachts soms wakker wordt van het kabaal
Ja, dat kan, we zijn met veertig op een zaal
En ik staar dan naar het donkerbruin plafond
Vraag ik me af waarom m’n leven ooit begon
*
Aan m’n handen zit ’t eelt nog van m’n jeugd
Van ’t harde werken, dat was toch een deugd
“Arbeid adelt” zei m’n vader, die was wijs
Waarom zit ik hier dan eenzaam, oud en grijs
*
In de C-klasse mag je dan klaverjassen
Je eigen piepers jassen
Maar de zon kun je niet zien
In de C-klasse mag je nooit kleren passen
Niet eens je eigen wassen
Je zult wel zien
*
Nog 2 x het refrein